Verhalen

Kluchten en Drama’s uit de kunsthandel

door Inge Wijde

 

Overal ziet men tegenwoordig „Kunst”: Haast iedereen doet in „Kunst”; De bakker bood mij met trots deze week een Gabriël aan, die echter een slechte vervalsing bleek te zijn. De bode van een ziekenfonds wist zeer geheimzinnig te vertellen van een Rubens, die bij een oude dame hing. De gepensioneerde Mijnheer K. wist in de provincie nog een paar Rembrandts te zitten! En de werkster van Mevrouw D. wist pertinent te vertellen, dat ze thuis een „echt schilderwerk”, een stadsgezicht van Vermeer, hadden. Dit laatste is mogelijk, want naar dit werk zijn duizenden reproducties en vele kopieën gemaakt! Het is opmerkelijk, zoveel mensen er met schilderstukken sjouwen. De een heeft het zorgvuldig, alsof het van onschatbare waarde is, in dekens of zeilen gepakt, de ander eenvoudig in wat pakpapier; een derde draagt het maar open en bloot mede en dit zijn dikwijls nog lang niet de slechtste, daar met de beste kunst soms de minste Tam Tam gemaakt wordt. Men komt bakfietsen met schilderijen tegen, in de tram of bus stoot men er zich dikwijls een blauwe scheen aan en in den trein behoort het niet tot de zeldzaamheden met de punt van een lijst bewerkt te worden. Op de veilingen, die steeds, ook door de reclame, geweldige belangstelling trekken, brengt de kunst dikwijls even geweldige prijzen op. De kunst is werkelijk weer eens zeer gezocht. Ik zei „Kunst”, precies, daar gaan we het eens over hebben. Nu het publiek zich weer eens op het schilderstuk gestort heeft, voornamelijk uit geldbelegging, doch ook om er een slordig duitje aan te verdienen (of te verspelen), is natuurlijk ook de „Kitsch” en de zwendel weer in volle actie opgekomen! De Rembrandtjes, de Frans Halsjes, de B. C. Koekkoeken, de Schelfhouten, de Marissen en Breitners worden verhandeld of het knikkers zijn! Het publiek koopt ze gretig, of ze mooi en echt zijn is een ander verhaal. Voeg daarbij, dat een groot deel koopt in de verbeelding zelf te kunnen beoordelen wat goed of slecht, vals of echt is, dan begrijpt u dat het een dikke tijd voor de kunstzwendelaars en ‘voor de vaak even gevaarlijke amateurs en „gentlemen dealers” is. Deze stoppen hun relaties vol met goede en slechte kunst en zijn dikwijls te goeder trouw, daar ze denken iets goeds te verkopen en niet beter weten. Als de prijzen nu maar niet zo schandalig gepeperd waren, dan was er nog iets te vergeven, doch die zijn dikwijls zo hoog, dat men er bij den Kunsthandel een veel beter en bovendien gegarandeerd echt schilderij voor had kunnen kopen. Hij, die er het minst van profiteert, is de werkelijke vakman; ook hij verdient natuurlijk, doch de massa gaat hem voorbij, daar ze altijd op „koopjes’ uit zijn en liever het verhaaltje van de amateur of zwendelaar slikt. Ook de veiling is een grote concurrent, daar het publiek er een voorliefde voor schijnt te hebben om in het: openbaar een koopje, maar dikwijls een strop te halen. Vandaar dat de kunsthandelaar zich haast om zijn eigen stroppen ook naar de veiling te brengen, daar raakt hij ze wel kwijt en hij behoeft er in ieder geval noch garantie noch commentaar op te geven.